Hoe werkt co-creativiteit?

Mijn beste beleidsroman moet nog geschreven worden. Dat is namelijk het verhaal dat we helemaal samen gaan verzinnen en schrijven. We, dat is dan bijvoorbeeld een groep bewoners die wil leren en vertellen wat hun stad, wijk of dorp zo bijzonder maakt en het behouden waard. We, dat kunnen ook ambtenaren zijn die willen onderzoeken hoe ze beter kunnen communiceren met de wereld buiten het gemeentehuis. Of de medewerkers van een paar verschillende organisaties die hun gezamenlijke project willen evalueren. Of schoolkinderen die willen leren hoe het is om op te groeien in Afrika, of in de 17e eeuw, of in de 22ste eeuw. En misschien maken we dan geen roman, maar een gedichtenbundel, een hoorspel, een musical, een magazine, een fotoboek…

Je leert het meest van wat je zelf maakt. Dat is het uitgangspunt van co-creativiteit. Daarom verzin en schrijf ik mijn beleidsromans niet alleen, maar zo veel mogelijk samen met de mensen die het aangaat. Zij vertellen wat ze hebben meegemaakt, onderzoeken de overeenkomsten en verschillen tussen hun eigen verhalen en bedenken hoe we daar een fictief verhaal van kunnen maken. Co-creativiteit is maatwerk: voor elk project ontwikkel ik een gepaste aanpak met bijvoorbeeld een brainstorm, een rollenspel, een tweegesprek en schrijfoefeningen. Maar er is ook altijd ruimte en rust voor de deelnemers om in de groep hun ervaringen te delen en elkaar vragen te stellen. Op deze manier probeer ik zoveel mogelijk kennis, gevoelens, ideeën en verschillende perspectieven over het onderwerp naar boven te halen. Wat heel goed blijkt te werken is de wisselwerking tussen het vertellen van eigen ervaringen en het verzinnen van een verhaal. De omweg langs fictie biedt een nieuw perspectief op wat er echt gebeurt. De specifieke, intieme details in een roman laten zien dat beleid veel meer is dan rapporten, regels en vergaderen. Bedenken wat er mooi, ontroerend of spannend is aan een beleidsproject kan de eigen ervaring relativeren en verzachten.

Het mooie van co-creativiteit is dat het doorgaat ná het schrijven en publiceren van een verhaal. De meeste teksten over beleid – nota’s, krantenartikelen, wetenschappelijke rapporten – moeten zo eenduidig en saai mogelijk zijn. Lezers moeten letterlijk nemen wat er staat; in feite een passieve houding. Maar een roman vraagt van de lezer juist activiteit: inbeelding, verbeelding, ontdekken van verschillende betekenissen. Lezers maken zelf betekenis, en zo gaat het leren door co-creativiteit altijd door.

Bij het schrijven van Een otter in Brussel merkte ik dat het schrijfproces ook een ontwerpproces is: een poging om binnen de bestaande beperkingen iets voort te brengen dat mooi en functioneel is. Hierbij loop je steeds tegen kleine en grote problemen op. Die beperkingen zelf zorgen natuurlijk voor problemen, maar ook gebeurtenissen in het verhaal maken het de schrijver lastig: de held moet iets doen dat niet past bij haar karakter; je hebt sneeuw nodig, maar het is zomer; de tegenspeler wil maar niet verliefd worden op de hoofdpersoon. Maar die problemen zijn geweldig, want ze zijn een bron van creativiteit. Juist bij het oplossen ontstaan onverwachtse wendingen in het verhaal, verdiept het inzicht in de personages en hun onderlinge verhoudingen en krijg je nieuwe inzichten in het onderwerp. Hoe intensiever deelnemers meewerken aan het schrijfproces, hoe meer problemen ze moeten oplossen, hoe meer ze leren. Bij elk serious fictionproject is het organiseren van co-creativiteit de kern, en een kwestie van maatwerk.